Lees Exodus 1, 2 en 3
We hebben het boek Genesis afgesloten. Het is 400 jaar later. De nakomelingen van Israël zijn een heel groot volk geworden. Zo groot dat ze een bedreiging beginnen te vormen voor het volk van Egypte. De farao wil de groei tegen gaan en geeft ze zwaar slavenwerk, maar het volk blijft maar groeien. Dan komt de farao met het plan om de pasgeboren Hebreeuwse jongetjes te doden. De vroedvrouwen Sifra en Pua willen hier, uit ontzag voor God, niet aan meewerken. Dan komt de opdracht aan heel het volk om alle pasgeboren Hebreeuwse jongetjes in de Nijl te werpen.
Technisch gezien gehoorzaamde de moeder van Mozes toen ze het mandje met Mozes aan de Nijl toevertrouwde. Mirjam, het zusje, hield de wacht en zag dat de dochter van de farao het huilende jongetje vond. Mirjam weet wel een vrouw die het kind de borst kan geven. Haar eigen moeder.
"En de dochter van de farao zei tegen haar: Neem dit kind mee en geef het voor mij de borst. Ikzelf zal u uw loon geven. De vrouw nam het jongetje mee en gaf het de borst." (Ex. 2:9, HSV)
Toen het jongetje groot geworden was werd hij naar de dochter van de farao gebracht en zij gaf hem de naam Mozes (=uit het water getrokken) daardoor groeide Mozes op aan het hof maar bleef zich verbonden voelen met zijn eigen volk.
"Toen hij nu de leeftijd van veertig jaar bereikt had, kwam het in zijn hart op zijn broeders, de Israëlieten, te bezoeken. En toen hij iemand zag die onrecht leed, nam hij hem in bescherming en wreekte degene die mishandeld werd: hij sloeg de Egyptenaar dood. En hij dacht dat zijn broeders begrijpen zouden dat God hun door zijn hand verlossing zou geven, maar zij begrepen het niet." (Han. 7:13, HSV)
Als hij, in woede, een Egyptenaar dood die een een Hebreeuwse man mishandeld moet hij vluchten. Dacht hij de Israëlieten te kunnen mobiliseren om te strijden tegen hun onderdrukkers aan te gaan? Maar de Israëlieten zijn helemaal niet gediend van zijn redding. "Wie heeft u tot leider en rechter over ons aangesteld?"
Hij vlucht naar Midian en trouwt met Zippora en wordt herder.
"En Mozes hoedde het kleinvee van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midian. Hij dreef het kleinvee tot voorbij de woestijn, en hij kwam bij de berg van God, de Horeb." (Exo.3:1, HSV)
Het is veertig jaar later. Mozes is tachtig jaar oud. Bijna tijd om met pensioen te gaan. In een 'brandende' braamstruik maakt God zich bekend aan Mozes. De God van Abraham, Izak en Jakob. De God van het verleden is nog steeds dezelfde. God maakt zichzelf bekend als: ik zal zijn, die ik zal zijn. Dat werkwoord zijn staat in de toekomende tijd. Hij is dus ook de God van de toekomst. En hij is de God van het heden want:
God kent het leed van zijn volk. Hij heeft het gehoord en gezien staat er. God is gekomen om hen te redden uit de handen van hun slavendrijvers. God is bewogen met het leed en komt in actie.
"Maar Ík weet dat de koning van Egypte u niet zal laten gaan, ook niet door een sterke hand. Daarom zal Ik Mijn hand uitstrekken en Egypte treffen met al Mijn wonderen die Ik te midden daarvan doen zal. Daarna zal hij u laten gaan." (Ex. 3:19-20, HSV)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten