Lees Job 29, 30 en 31
"Ik bekleedde mij met gerechtigheid",..."(Job 29:14, HSV)
Vanwege het besef van Gods grootheid kon Job niet zondigen en een ander zijn zegen niet onthouden. Hij stelde zijn vertrouwen op God en niet op zijn geld of bezit. God was voor hem altijd groter. Zelfs als zijn vijanden hun verdiende loon kregen dan kon hij zich daar niet over verheugen. En als hij zondigde bedekte hij die zonde niet toe. Job maakt een opsomming van al zijn goede daden.
De goede daden van Job kwamen uit ontzag voor God, die hij wilde God dienen met ál zijn kracht. "Ik bekleedde mij..." Toch stond Job nog in een soort verdienrelatie met God. Goede werken doen voor onmetelijk groot en afstandelijke Werkgever. Kende hij God werkelijk? Want nu zie je dat hij gaat staan op zijn loon. Deze ellende heeft hij niet verdient. Nu de kwade dagen zijn gekomen is God voor hem veranderd. God was goed maar nu? Hij vertrouwt God niet meer.
Maar God is goed altijd en altijd is God goed! Wat de omstandigheden ook zijn. God verandert niet.
In Jesaja staat dat Jesaja's ziel zich verheugde in God en dat God degene was die hem bekleedde met gerechtigheid. Jesaja besefte dat rechtvaardige daden uit God zelf komen.
"Want u bent allen kinderen van God door het geloof in Christus Jezus. Want u allen die in Christus gedoopt bent, hebt zich met Christus bekleed." (Gal. 3:26-27, HSV)
"Want Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem." (2 Kor. 5:21, HSV)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten