Lees Genesis 43, 44 en 45
God, de Almachtige, geve jullie barmhartigheid in de ogen van die man, zodat hij jullie andere broer en Benjamin met jullie terug laat gaan. En wat mij betreft, als ik van kinderen beroofd word, dan word ik maar van kinderen beroofd. (Gen.43.14, HSV)
Met de moed der wanhoop gaan de broers weer op weg naar Egypte. Uiteindelijk heeft de vader Israël er in toegestemd om Benjamin mee te laten gaan. Hij kan niet anders. Ze zouden allemaal omkomen van de honger. Ze nemen dubbel zoveel geld en geschenken mee (balsem, honing, specerijen, mirre, pistachenoten en amandelen). Zouden ze daarmee een onderkoning die alles al bezit gunstig kunnen stemmen? Ook het geld dat ze de vorige keer terugvonden in hun zakken nemen ze weer mee.
Als ze meegenomen worden naar het huis van Jozef worden ze bang. Zullen ze slaaf gemaakt worden of overvallen worden? Gestraft omdat ze vorige keer niet betaald hadden? Het geld lag de vorige keer immers in hun zakken. De dienaar van Jozef stelt hen gerust.
"Hij zei: Vrede zij u, wees niet bevreesd. Uw God en de God van uw vader heeft u een schat in uw zakken gegeven; uw geld heeft mij bereikt. Toen liet hij Simeon naar buiten brengen, naar hen toe". (Gen.43.23, HSV)
Jozef ontvangt zijn broers in zijn huis en richt een grote maaltijd aan. Hij laat de broers zitten op volgorde van leeftijd en Benjamin krijgt vijf keer meer dan zijn broers. De volgende dag willen ze terugkeren. Ze zijn overvloedig gezegend.
Maar Jozef haalt ze met een list terug. In Benjamins zak wordt de zilveren beker van Jozef gevonden, die de dienaar van Jozef daarin had gestopt. Benjamin is een 'dief' en moet als slaaf achterblijven bij Jozef.
Juda, degene die op het idee kwam om Jozef als slaaf te verkopen, springt nu in de bres. Hij heeft beloofd borg te staan voor zijn broer. Zijn vader zou het verlies van Benjamin niet overleven. Hij wil de plaats van Benjamin wel innemen.
Dan, in alle ontreddering en wanhoop maakt Jozef zichzelf bekend. Niet de broers maar God zelf heeft Jozef naar Egypte gebracht.
"Maar nu, wees niet bedroefd en laat jullie ogen niet in toorn ontvlammen omdat jullie mij hiernaartoe hebben verkocht, want God heeft mij vóór jullie uit gezonden tot behoud van jullie leven." (Gen.45.5, HSV)
De familie moet maar dicht bij Jozef in het land Gosen komen wonen. Er zal nog 5 jaar hongersnood zijn. Jozef stuurt wagens mee om zijn vader en hun families op te halen. Ze krijgen proviand en kleren mee. Benjamin vijf keer zoveel en 300 zilverstukken. Jozef drukt de broers op het hart: "Maak onderweg geen ruzie".
De broers moeten hun vader overtuigen dat zijn Jozef nog leeft. Jakob (Israël wordt nu ineens weer Jakob genoemd) kan het niet geloven. Pas als hij de wagens ziet beseft hij dat Jozef werkelijk leeft en dat Jozef onderkoning is van Egypte.
Zijn wij vaak ook ongelovig tot wij zien? En durven wij ons dan aan deze waarheid toe te vertrouwen?
Willen we het eerst zien zoals de Joden, willen we het eerst begrijpen zoals de Grieken of...willen we geloven omdat God het ons openbaart...

Geen opmerkingen:
Een reactie posten